Timor Koepang
Door: Roderick C. Wahr
Het Begin
Eind '49 werden wij door de KPM van ons verlof in Nederland direkt naar Timor Koepang gestuurd, ik was toen dus bijna 8 jaar oud.
Mijn vader werd Agent voor de KPM in Timor Koepang. Hier ben ik pas echt bewust dingen gaan herinneren waar ik op veel latere leeftijd naar teruggrijp.
Timor Koepang na de Tweede Wereldoorlog was een droog eiland. Mijn vader had daar 2 havens; Koepang was de hoofdhaven en Tanau was de noodhaven. In Koepang werden de schepen op de ree (op zee) geladen en gelost. Dat betekent dat lading met sloepen of pontons werd getransporteerd om te laden of te lossen. Als de golven dus te hoog werden dan verhuisden we naar Tanau. Tanau was een kleine baai, reuze idylisch, kalm water en prachtige witte stranden en daarachter hoge rotsen. Mijn vader had op een van de rotsen een huisje laten bouwen waar wij verbleven als het lang slecht weer was of als we gewoon lekker wilden relaxen. Vanuit het huis op de rotsen liep je zo'n 15 meter verder en dan was er bij vloed meteen de zee waar je zo in kon duiken. Prachtig! Denk je eens in, 'smorgens vroeg om half 6 stond ik al op het strand om de vissers te helpen hun fuiken te legen. En als beloning mocht ik dan altijd een aantal vissen zelf uitkiezen en meenemen naar huis. Mijn moeder was niet altijd even blij met mijn keuze, want ik vond zeeslangen en van die kleine haaien met schuurpapier huid zo mooi, maar mijn moeder vond het niet lekker....
In Koepang woonden wij ook aan zee, alleen moest je zo'n 100 meter lopen over een groot veld aan de overkant van de weg en daarna moest je over een partij rotsen, dan pas kwam je pas op het witte strand.
Op dat veld aan de overkant van de weg had men al het oorlogsmateriaal uit de 2e Wereldoorlog van her en der opgestapeld. Je vond daar kapotte tanks, trucks etc., zelfs luchtafweerkanonnen. Het was natuurlijk allemaal kapot, maar als je op zo'n kanon zat dan kon je nog aan allerlei wieltjes draaien en dan draaide die hele geschutstoren rond, de loop op en neer en links en rechts... kortom voor mij was het spannender dan de Efteling nu. Tja, natuurlijk vonden wij ook af en toe kistjes met 'live' geweerkogels. Ik zal maar niet vertellen wat voor enge dingen wij daar weer mee uithaalden. Een kind kent geen gevaar! Het is maar een keer gebeurd dat er iemand op dat veld was gedood. Maar dat waren dan ook 3 vissers die zonodig een bom wilden demonteren om de inhoud te gebruiken bij het vissen. BOOEEeemMM!!! Game Over.
Wij hadden op Timor Koepang 3 bedienden, 2 mannen en 1 vrouw. Riwoe voor de tuin en zwaar werk, Annus voor de huishouding (een geweldige kok!) en Lina voor ons kinderen. Alle 3 geweldige mensen. Ze zijn dan ook tot 1958, de evakuatie, bij ons gebleven. Ze waren voor ons geen djongos of baboe. Ze waren gewoon een onderdeel van de familie die alles voor ons overhad en deed. (Wij hadden ook alles voor hen over!)
We waren inmiddels 5 kinderen; Eddy was de nakomeling.
Mijn moeder wilde eigenlijk geen kinderen meer en had daartoe van de dokter een spiraaltje geplaatst gekregen en die moet zijn weggesprongen of zo, want Eddy kwam, en hoe! Het was Augustus en mijn vader was weer eens op de pasar malam aan het gokken en won geweldig veel bij het spelen van Fantan, een Chinees gokspel. Afijn, toen men hem vertelde dat mijn moeder aan het bevallen was, was hij niet van die tafel weg te scheuren! Uiteindelijk hebben ze hem zowat moeten vastbinden en naar huis brengen in de jeep. Om die reden heeft Eddy bijna de naam Fantan gekregen. Echter, om er zeker van te zijn dat hij de laatste zou worden heeft hij de naam Eddy gekregen; in mijn vaders familielijn heten al de hekkesluiters allemaal Eddy. Hij is ook al eens als baby gevallen maar kon kennelijk goed stuiteren, want hij is later dan ook artiest geworden. Zit sinds jaar en dag bij Theatergroep Hauser Orkater als slagwerker/gitarist/zanger en is met een klein ploegje nogal populair in een TV serie hier in Nederland. Ik meen zelfs dat ze op de nominatie staan voor een of andere oorkonde. Eddie B. Wahr.
Nou, in Timor Koepang ging ik ook al naar een Indonesische school. Ik herinner me nog dat het ergens aan de rand van de stad was. Ik had daar een geweldige tijd. Ik had al de vrijheid die ik mij kon wensen als kind. Ik was te groot voor Lina om op te letten en mijn ouders waren beiden druk bezig met hun bezigheden.
Naast mijn vaders werk deed hij ook muziek maken, we hadden een Hawaiian band, mijn vader speelde gitaar, ukelele en piano, hij deed tapdansen en het was iedere maand een paar avonden feest bij ons thuis. Trouwens, het was in onze garage dat de Tielman Brothers door hun vader werd gedrild. Ze waren toen maar iets ouder als ik en hun vader was een fanatieke musicus, en zijn kinderen moesten en zouden goed kunnen musiceren. Nou, dat deden ze dan later ook voortreffelijk toen ze naar Nederland gingen. Daarnaast waren mijn beide ouders fanatieke tennis- en bridge-spelers. Mijn moeder stond eind jaren '40 aan de top van de Indonesische tenniswereld en beiden zaten ze in de top van de Bridge wereld. Dus aan aktiviteiten hunnerzijds geen gebrek. Nou, dat gaf mij dus een enorme vrijheid van beweging, die ik dan ook met beiden handen en voeten aangreep.
Ik had mij al aangesloten bij de 'gang' van de straat. Allemaal jongetjes met kattepults en knikkers (om zuiverder te kunnen schieten) of loden kogels (gesloopt uit het veld voor ons huis). De andere straten hadden ook 'gangs' en als we elkaar tegenkwamen dan sloegen we er op los. Mijn ouders hebben daar nooit wat van gezegd. Ze wisten zeker niet dat we ook met kattepults op elkaar schoten...
Achter ons huis was een heel grote tuin waar mijn moeder groentebedden had neergezet en een grote kippenren met wel 50 kippen. Verder hadden we 2 geiten en een grote voliere met 'tekoekoers', wilde bosduiven die de hele dag door koerden: 'tekoekoerrrr... tekoekoerrr....'.
Eens op een dag had ik de buurjongen van de familie Lakusa uitgenodigd om met mij eieren te bakken. Ik had dit nog nooit eerder gedaan, maar had wel gezien hoe dat in de keuken werd gedaan. Ik stal een paar eieren uit de kippenren en ben met hem naar een groot veld achter ons huis gegaan. Dat veld bestond uit hoog gras waar je je goed in kon verstoppen. Ik had ook een plankje met 3 grote stenen meegenomen. In dat veld verstopten wij ons en heb ik de 3 stenen neergelegd. Daartussen deed ik allerlei droge takjes. Het plankje moest als koekepan dienen en werd bovenop de 3 stenen gelegd. Toen heb ik de eieren stukgemaakt op dat plankje en heb het hout daaronder aangestoken.
Oeiii!!! Het was het droge seizoen en dat hele veld ging in de fik en iedereen uit de huizen die eromheen lagen moest met emmertjes water af en aan om de inmiddels grote brand te blussen. Natuurlijk was ik 'm allang gesmeerd en had ik mij onder een truck van de zaak, die in onze tuin geparkeerd stond, verstopt vlak onder de laadbak tussen de balken. Helaas werd ik daar later tussenuit gehaald door de bewaking van de KPM die mijn vader uit de haven heeft laten komen. Ik heb er een heugelijk pak slaag aan overgehouden....
Naast ons huis woonde een familie uit Ambon, de familie Lakusa, en die hadden een dochtertje van mijn leeftijd, Mimi. Ze hadden ook honden die jongen hadden en daar mocht ik dan eentje van uitzoeken. Ik denk dat ik iets te haastig was want ik werd door moeke de hond zwaar toegetakeld. Gelukkig werd ik alleen maar in en rondom mijn knieen gebeten. De littekens die nu nog zichtbaar zijn zullen mij steeds aan die hondjes doen denken... Maar Mimi..., Mimi.... oh daar was ik toch zo verliefd op. Mijn heel achtjarig hartje deed alle moeite om uit mijn borstkastje te springen als ik haar in de verte zag zitten op de veranda. Ik had een liedje op school geleerd:
Saya beladjar njanji, kalau ada not / suaraku merdu, dengar kawanku ... / do, do, mi, mi, sol, sol, do, sol, la, sol, fa, mi, re, do.
Natuurlijk zong ik dat liedje telkens als ik voorbij haar huis kwam, speciaal het: do, do, Mimi, sol, sol, do ....
Tja wat een pril geluk. Als ik 'smiddags van school kwam dan kleedde ik mij snel om in mijn 'tjelana monjet' oftewel hansop. Een bloes en broek aaneen, met knopen aan de voorkant waarlangs je erin stapte. En daarna gezwind op verkenningspad de 'gang' zoeken. Heel vaak gingen we dan naar het strand toe langs de boulevard. Daar gingen mijn Indonesische vriendjes altijd bloot zwemmen, dus ik ook. De tjelana monjet ging uit en het blote lijf ging het water in. Natuurlijk moet dat wel een vreemd gezicht zijn geweest, zo'n wit lijf tussen al die zwate in het water en op het strand. Regelmatig kreeg ik dus thuis ervan langs met de riem van mijn vader, omdat iemand het weer zo nodig vond om aan tuan agent te zeggen dat zijn zoontje vanmiddag bloot op het strand stond.
We hadden ook andere aktiviteiten. We gingen vaak op vogel jacht. In het veld voor ons huis waren altijd enorm veel vogels van allerlei pluimage. Een prachtige vogel was de Sri Gunting, ziet eruit als een ekster, zwart/wit, met 2 lange staartveren. Telkens als die 2 veren een 'knip' beweging maakten liet het een geluid als het knippen van een schaar. Wij haalden lange dunne bamboe twijgen en bevestigden aan het puntje een lasso van een lange paardehaar. Dan plantten wij een aantal van deze bamboe twijgen in een cirkel, met de paardeharen bovenaan naar beneden gebogen. We maakten een soort boobytrap waarbij als een vogel op een klein stokje liep de gebogen bamboe uiteinde (met lasso) de lucht introk. De vogelpootjes werden dan door zo'n lasso gestrikt. De op deze manier gevangen vogels deden wij in volieres.
En als wij een ernstig meningsverschil hadden met een andere straat, dan daagden wij hen uit om met ons oorlog te voeren op dat veld tussen die oorlogswrakken. We deden het wel eerlijk. Iedere partij koos een kant van het veld. En als iedereen klaar was dan schoten wij op elkaar met onze katapults. Het is natuurlijk duidelijk dat er hier toch wel ernstige gewonden uit voortkwamen. We schoten namelijk met knikkers en ronde kogellagers. En we schoten op alles dat we zagen, armen, benen, handen en... hoofden. Het verwondert me nog steeds dat daar nooit dooien zijn gevallen indertijd. Ik hield op met dit zoort oorlogsvoeringen toen er eens een steen vlak naast mijn hoofd wegketste met een zzznnnngggggggg... geluid, toen ik in een kuil op het veld lag.
Van leren op school kan ik me daar niet veel herinneren. Ik was veel te druk bezig met kattekwaad. Wat wil je ook, je hebt daar bos, rotsen, velden en zee. Ik deed ijverig mee met de 'gang' in alles wat ze deden, tot het stelen van eieren van de toekang telor toe. Als je zo'n ei listig had gestolen dan prikte je aan ieder uiteinde een gat en deed dan wedstrijden wie de meeste eieren rauw kon leegzuigen. Soms dan hadden we knikker wedstrijden. De gewonnen knikkers verkochten we en kochten dan pecel op het strand of gewoon rijst met ikan asin en sambal... al! Natuurlijk mocht ik niet zomaar van de straat eten, maar ja gelukkig konden mijn ouders dat niet altijd zien of werd het niet altijd gerapporteerd.
Op een goeie dag had ik WEL iedereen op stang. Ik was weer eens te druk geweest met ravotten om de school heen. De school was aan de rand van een bos. En ik had helemaal niet gezien dat men er prikkeldraad had gespannen aan de bos kant. Ik rende pardoes in het prikkeldraad dat op mijn ooghoogte stond. Gelukkig had ik mijn ogen in een refleks gesloten, maar had wel mijn oogleden en voorhoofd zwaar beschadigd. Ik bloedde als een rund. Men bracht mij naar het ziekenhuis, waar men ijling jodium op de wonden deed. Dat deed wel heel erg zeer. Maar toen men er een groot wit verband overheen deed die om mijn hoofd werd gewikkeld, en ik het bloed en de jodium door het gaas heen zag komen, toen was ik pas trots. Ik leek al direkt op een piraat uit een film. Ben naar huis gegaan, ben op een van de pilaren van de oprijpoort gaan zitten wachten tot mijn ouders van de tennisbaan kwamen. Ik was reuze trots. Mijn moeder was dat niet zo, en mijn vader stond weer klaar om mij af te drogen omdat ik zo roekeloos was geweest... Ja, ja, het was een geweldige tijd...
Zoals uit bovenstaande wel blijkt was ik niet echt een doetje. In Indonesie voelde ik mij als kind helemaal in mijn element. Natuurlijk ging die ondeugendheid meestal ook gepaard met een traditionele afstraffing in de vorm van een pak slaag door mijn vader met een, speciaal voor de gelegenheid bewaarde, rotanstok. Ik kan nog steeds het suizen in de lucht horen vlak voordat het mij raakte. Als mijn vader kwaad was moest iedereen in huis de rotanstok zoeken. Eerst moest ik dat doen; natuurlijk kon ik die nooit vinden. Dan moesten alle hulp in huis erop uit om het te zoeken en bij hem brengen. Onze hulpjes hadden altijd zo'n medelijden met mij dat ze soms die stok verstopten.
Eens had ik het echter zo bont gemaakt dat mijn vader de chauffeur naar de haven stuurde om een nieuwe rotanstok te halen!!!
Mijn moeder bracht alles weer in evenwicht door mij later tegen zich aan te drukken, voorzichtigheid betrachtend mijn gevoelige billen niet aan te raken, terwijl ze zei dat ik zoiets niet meer mocht doen: "Nou, zie je wel, dat moet je ook niet doen. Je weet toch dat je vader daar niet tegen kan? Hij heeft het al zo druk in de haven en dan moet hij jou ook nog korrigeren....? Je moet toch een voorbeeld geven aan je broertjes en aan Lily?". Het valt niet mee om de oudste te zijn...
In Tanau en in Koepang heb ik ook aardig wat afgedoken en gezwommen in zee. In die tijd waren paarlemoer schelpen nog niet zo mode, dus alles wat ik aan schelpen en koralen uit de zee dook (tot 4 @ 5 meter diep) gaf ik aan mijn moeder die het leuk vond om er allerlei soorten artistieke tableaus van te maken om onze woning te sieren.
Natuurlijk was ik ook een vis liefhebber. 's Avonds, in Tanau liep ik dan de lange pier op die zo'n 50 @ 60 meter in zee stak. Op het uiterste eind deed je dan op een donkere nacht je 'lampu semprong' (olie lampje) aan en hengelde je met de zelf gevangen wormen. Eens was ik daar zo ook op een middag bezig met mijn hengeltje, toen er ineens een zwerm grote vissen van ca. 150cm onder de pier voorbijschoten, net op een moment dat ik een klein visje beet had. Een van de grote vissen die voorbijschoot hapte zomaar mijn klein visje op die nog aan de haak bungelde. Die grote vis trok mijn hengel alle kanten op (het was een gewoon hengeltje zonder katrol), ik heb voor vorst en vaderland geschreeuwd, werd in zee getrokken maar bleef mijn hengeltje vasthouden. Gelukkig waren er ook een paar werklui op de pier die lachend het water insprongen en mij (met vis!) naar de kant wisten te brengen. Awww!! Wat was ik trots toen ik die joekel thuis bracht voor mijn moeder. Het het was een van onze lekkerste maaltijden!
Soms heeft iemand iets heel moois in handen en weet helemaal niet dat dit iets moois is. Zo ook op een keer toen wij op weg waren van Koepang naar Tanau. Je kwam dan via een primitieve stoffige weg langs allerlei dessas, kleine dorpjes, en kon dan het alledaagse leven zien van de bewoners. Je zag dan bijvoorbeeld hoe men geiten slachtte, hoe de kippen werden gevangen, en dan ook nog eens alle warungs (verkoop stalletjes) langs de kant van de weg. Die bewuste dag reden wij langs zo'n dorpje en zagen wij varkens uit een soort trog eten. Mijn moeder liet mijn vader de jeep stoppen om te zien waar die varkens toch uit aten. Toen we dichterbij kwamen zagen wij dat die dieren uit een puntgave schelp aten. Deze schelp was ongeveer 150cm lang en van een prachtige kleur roze-rood. Mijn moeder begon een praatje met de vrouw, voor de pondok (hutje), van wie die schelp was. Het bleek toen dat haar man die schelp ergens op een eiland had opgedoken en nu dus uitstekend dienst deed als trog. Mijn moeder bood de vrouw 10 grote, lege, margarine blikken aan in ruil voor de schelp. En zo werd mijn moeder die schelp rijker. Het heeft jaren bij ons in de huizen gestaan als schemerlamp.
Koepang was een droge stad en er was in het geheel geen vertier op een enkele bioskoop na. In de bioskoop had ik eens de film gezien "Si Pintjang" (de manke). Het ging over een Indonesisch jongetje dat mank was en ik weet alleen nog maar dat ik in tranen van die film thuis kwam, en die titel heb ik nooit kunnen vergeten. Afijn wat ik eigenlijk wilde vertellen; omdat er niets bizonders te beleven was creerde men daar als vertier het gokken!
De Timorezen, en vooral de Chinezen, waren verzot op gokken. Alles, maar dan ook alles werd als aanleiding gebruikt om te gokken. Er was een jaarlijkse voetbal wedstrijd tussen Timor Koepang en Timor Dili (Portugees Timor). Dit evenement brak altijd alle records wat gokken betrof. Mijn vader wist ons te vertellen dat tijdens zo'n wedstrijd hele scheepsladingen goederen van (meestal Chinese) eigenaar wisselden en... soms zelfs echtgenotes... hmmm..
Als laatste wilde ik dan nog vertellen dat ik in Koepang heb geleerd een alles eter te worden. Ik trok veel met onze hulpen op, vooral Riwu. Toen Riwu bij ons kwam was hij ongeveer 23 jaar oud. Hij was afkomstig van het eiland Sawu, vlakbij, net als Lina (Annus kwam van het eiland Roti).
Sawu was een wild eiland met destijds vele giftige slangen. Riwu was een potige knaap die tegen een klapperboom kon oplopen door het enkel met zijn handen vast te houden. En hij kon een kokosnoot met de zijkant van zijn hand doormidden slaan. Wow! Geen wonder dat hij mijn bewondering ontlokte. Het enige waar Riwu als de dood voor was waren... juist ja, slangen! Zelfs een dode slang liep hij met een grote boog omheen.
Het was Riwu die mij een alles eter maakte. Als ik (met zelfgemaakte pijl en boog) een grote vogel in het bos had geschoten, dan was het Riwu die het voor mij roosterde en voorbereidde om te eten. Hij leerde mij geroosterde sprinkhanen eten en zo nog een paar vormen van insekten. Hij leerde mij ook hoe je een kip moest slachten etc. Ik zal maar niet in nog meer details treden.
Annus was veel te verfijnd. Hij was mijn moeders ster. Mijn moeder hoefde hem maar een keer te laten zien hoe een Westerse feesttafel eruit moest zien en hoe er opgediend moest worden, en hij kende het direkt. Ja, mijn ouders hadden, vanwege mijn vaders positie, vele formele etentjes en sociale aangelegenheden. Dan werd de bovenlaag van de stad uitgenodigd, doktoren, gemeente overheid, direkteuren, grote Chinese handelaren enz. Eens was ook Sukarno bij ons op bezoek in Koepang. Hij moest toen een redevoering geven en men vond geen passende slaapkamer voor hem, derhalve gebruikte hij de slaapkamer van mijn ouders. Tja, het kan verkeren. Hoewel, ik moet zeggen dat ik mij nog heel goed voor de geest kan halen hoe hij was tijdens die redevoering, een geweldenaar met een charisma... onvoorstelbaar. Iedereen zat aan zijn lippen gekluisterd!
Eind 1952. Wij moesten van de KPM naar Singaradja, Bali, toe.
| © 2001-2006 by Roderick C. Wahr. All rights reserved. | write comments to: webmaster |
|