Mijn Naam Is...
(by Edward J.B. Wahr)
Eddy Wahr, geboren te Hongkong in het Raffles Hotel op 1 januari 1910, omstreeks 12 uur in de middag. Mijn moeder, geboren in Amoerang (Indonesie Noord Sulawesie) uit een Indisch-Europese vader met een Nederlandse achternaam (Walsen) en een Minahasische moeder (Tambajong), werd door mijn vader (een Zwitser, geboren in Bazel) geschaakt. Vandaar het "Schaken" (een gebruikelijke dwang middel). Uit dit huwelijk werden mijn zusters Lotty en Ecca, als ook mijn broer Adolf geboren, respectievelijk 10, 8 en 6 jaar ouder dan ik. Ik was dus de jongste uit het nest; later vernam ik van mijn moeder dat wij ook een broer Charlie hadden gehad, die helaas bij de geboorte overleed. [Als mijn-ingenieur moest mijn vader veel reizen, hetgeen ons verplichte naar Kowloon te verhuizen al waar een etage werd gehuurd dicht bij de Kowloon ferryhaven]. Het was weliswaar geen sjieke buurt, maar voor zover ik het mij nog kan herinneren, voor ons wel een omgeving waar we ons als kinderen konden uitleven; een buurt van allerlei rassen.
Mijn vader was vreselijk streng. O wee, als wij iets verkeerd deden of kattekwaad uitvoerden. Hij was vlug met zijn handen, want voor je het wist had je een klap te pakken. Ik was nog te klein om daarvoor in aanmerking te komen. Hij had het vooral op mijn oudste zuster Lotty gemunt!. Mijn vader sloeg haar vaak en moeder ving dan even zo vaak de slagen op.wanneer zij er tussenbeide kwam.
Mijn vader had veel vrienden, (vooral Duitsers) waar hij veel mee op stap ging. Van mijn Moeder hoorde ik later dat hij heel veel geld verdiende, vooral bij de aanleg van de spoorwegen in China. Als hij dan een hele tijd was weggebleven en weer terug kwam in Kawloon, dan liet hij mijn moeder het geld bewaren. Mama vertelde dan, dat zij altijd een deel van het geld opzij zette, zodat mijn vader niet alles zou kunnen verbrassen(dat wist mijn vader niet). Hij was altijd erg royaal als hij met zijn vrienden opstap ging. Wij hebben het altijd vreemd gevonden dat hij zijn Duitse vrienden nooit bij ons thuis bracht.
Wie wij wel zagen was een Engelse kapitein van een vrachtvaarder. Hij heette Sanders en was erg bevriend met ons Ik herinner mij nog heel goed dat wanneer zijn schip in de haven lag, hij ons geregeld opzocht. Wij zaten dan met ons allen gezellig bij elkaar. Er werden dan grapjes gemaakt ,gelachen en gedronken.. Hij bracht ons ook vaak cadeautjes en snoep mee, wat wij altijd als kinderen natuurlijk fijn vonden. Ik herinner mij hem als een vrij oude vriendelijke man. Op een keer dat hij er was en ik op zijn schoot zat, zag ik dat hij met zijn tanden klepperde. Op mijn vraag waarom hij dat deed, nam hij zijn gebit uit zijn mond om het mij te laten zien. Ik schrok mij rot sprong van zijn schoot af en kroop weg onder het bed, zo bang was ik op eens voor hem. Mama heeft mijn toen weer gerust gesteld, maar ik het nooit begrepen hoe dat kon en had vanaf dat moment heilig respect voor hem.
Op een andere keer dat hij er weer was en wij weer allemaal bij elkaar zaten stopte uncle Sanders, waar mijn vader erbij was, een dollar in mijn broekzak. Toen ik het muntstuk uit mijn zak viste en het aan mama liet zien, werd mijn vader opeens hels kwaad en gaf mij een paar tikken op mijn bibs en zei "give the money back!" [dit wist mijn moeder mij later te vertellen om het te begrijpen]. Want zij vertelde het volgende over dit geval . Na de pak op mijn broek heb ik de dollar over de vloer gesmeten met de woorden "damn you, because of you I get this hiding", waarop iedereen om deze woorden moest lachen en mijn vader tegen mij zei " alright for this time you may have that dollar, but never again accept money, do you understand" waarop ik vol ongeloof rondzocht naar het muntstuk met de woorden "where is the dollar, where is the dollar !" Mijn zusters en mijn broer moesten altijd op mij passen als ze buiten gingen spelen. Zij moesten mij altijd meenemen. Voor hen was ik altijd een sta in de weg.
Bij zo'n gelegenheid hadden zij met hun vrienden het plan opgevat om bij een Chinese vrucht- en groententeler leichees te gaan stelen.
Ik werd netjes buiten op het pad gezet en moest maar afwachten tot ze mij weer zouden komen ophalen.
En zo gebeurde het , dat ze over de muur van de tuin van de Chinees klommen om hun slag te slaan..
Zij wisten echter niet dat de Chinees een waakhond had. Plots werd, volgens Ecca, mijn oudste zuster, de hond van de Chinees op hen losgelaten en moesten zij als de bliksem zorgen dat zij wegkwamen. Met een vaart terug naar de muur en daar overheen zien te komen. Mijn broer Dolf, de jongste en kleinste van de bende, kon ze niet bijhouden en riep om hulp. Uit angst greep hij een lange snoeimes die daar op de grond lag en zwaaide ermee naar de op hem afkomende hond , die hem in zijn broek te pakken had. Een groot geluk voor hem was , dat hij bij het zwaaien van de snoeimes, het puntje van de staart van de hond raakte en het beest hem losliet en jankend wegliep.
Hij kon net op tijd door zijn vrienden over de muur geholpen worden, want de Chinees was al komen aanhollen. Zij konden dus net op tijd verdwijnen, maar vergaten mij mee te nemen Tot overmaat van ramp kwam de Chinees plotseling aangelopen en zag mij daar op het gras zitten .Hij pakte mij beet en begon mij met zijn knokkels op mijn hoofd te bewerken. Ik, van niets wetend, maar natuurlijk van pijn aan het gillen. Intussen waren mijn zusters met vrienden teruggekomen om mi,j op te halen. Toen zij de Chinees bij mij zagen, grepen zij stokken, die zij uit de omheining trokken en gingen met z'n allen op de Chinees af. Die liet mij los en ging er vandoor. Mijn zusters hebben mij met snoep en lieve woordjes getroost en ik moest beloven hierover niets te vertellen aan mams.
Op weg naar huis was ik weer vrolijk en was de hele zaak weer vergeten. Maar toen wij thuiskwamen en ik mijn moeder in zicht kreeg, begon ik weer zielig te huilen en janken "pain, pain oooooh" en begon het hele verhaal af te draaien.
Dit verhaal kreeg ik later, toen ik groter was , te horen van mijn moeder, die wel zei dit nooit aan mijn vader te hebben verteld, want dan zou het donderen geweest zijn. Want de kinderen moesten voor "slaag" van mijn vader beschermd worden, want die kende geen grenzen.
Wij waren altijd blij als mijn vader op reis ging voor zijn werk. Want dan was het heerlijk rustig en vredig in huis. Wij waren n.l. erg bang voor mijn vader. Want als hij met slaan begon , dan wist hij van geen ophouden. Hij was dan altijd driftig als hij sloeg.
Het gebeurde ook meerdere malen dat mijn vader een boot inhuurde en op zijn kosten zijn Duitse vrienden meenam naar Macao om te gokken, waarbij veel werd gedronken. En als hij dronken thuiskwam, dan had je de poppen aan het dansen. Soms sloeg hij zonder reden mijn moeder bont en blauw . Die had het dan heel moeilijk. Ach, mijn vader was een sadist.
In de wintermaanden, als hij ook thuis was, dan wilde hij met de kinderen een spelletje spelen. Er werd dan gekaart. Een en twintigen werd er dan gespeeld met geld die hij dan onder mijn broer en zusters verdeelde. Mijn moeder en ik mochten dan toekijken. Mijn zuster Ecca was zeer gehaaid en kon heel goed met kaarten goochelen en vals spelen. Zij won altijd en dat vond mijn vader zeer verdacht. Toen hij haar op een keer betrapte en naar haar uithaalde met een klap op haar gezicht, stond zij verontwaardigd op en zei op een brutale toon " how dare you ! I did'nt cheat, damn it!" Zij keek hem dan onbevreesd in de ogen zonder zelf met de ogen te knipperen. Het schijnt dat mijn vader bang was voor Ecca, want dan ging hij daar niet verder op het geval in en hield zich verder koest. Ja, Ecca kon met een stalen gezicht liegen en je zou het geloven ook! Ze was er een kampioen in. Ze was voor niemand bang. Zelfs de jongens waar zij mee omging hadden respect voor haar, want zij was ze zelfs de baas in het vechten.
Mijn moeder, die het altijd met mijn vader aan de stok had, kreeg op een dag weer zo'n vreselijke aframmeling van mijn vader, maar zij liet het daarbij niet zitten. De politie werd er bij gehaald en mijn vader kreeg een waarschuwing.
Om het weer goed te maken, werd mijn moeder dan overstelpt met kadootjes en werden de kinderen daarbij ook niet vergeten.
De oorlog [1914 - 1918] was nog aan de gang, de Duitsers werden geinterneerd en mijn vader stond vanwege zijn dikke omgang met de Duitsers op de verdachtenlijst.
Toen mijn vader weer eens zo uithaalde naar de kinderen en mijn moeder, bracht zij de zaak bij de Hoge Commissaris van de Engelse Kroon in Hongkong aan het rollen en werd mijn vader uit de kroonkolonie Hongkong uitgewezen.
Hij ging naar Borneo, waar hij als mijningenieur bij de goudmijnen in Martapura ging werken. Wij hadden dus geen kontakt meer met hem.
Wij mochten in Hongkong blijven en mijn moeder was dus van tafel en bed van mijn vader gescheiden.
Wat waren wij blij en gelukkig. Ja, wij waren echt "happy". Wat een rust en vrede heerste er in huis! Gelukkig had mams steeds geld opzij gezet en konden wij voorlopig voortleven en werden mijn beide zusters door tussenkomst van de Engelse autoriteiten aan werk geholpen. Lotty kreeg een kantoorbaan bij de Dokmaatschappij in Kowloon en Ecca [15 jaar oud] werd assistente bij een tandarts in Hongkong. Zo konden wij weer voortleven. Ik was intussen 6 jaar geworden en werd elke morgen achter op de fiets bij Lotty naar de Frenchconvent-school gereden, waar mij de Engelse taal verder werd bijgebracht. In de namiddag werd ik dan weer door Lotty, als zij van kantoor terugkwam, opgehaald en naar huis gereden.
Mijn broer ging naar de English College in Hongkong en moest iedere dag met de ferryboat op en neer.
Een nieuw leven tegemoet.
Toen de oorlog voorbij was , besloot mijn moeder maar terug te keren naar haar moederland Indonesia [het voormalige Nederlands-Indie].
Zij had intussen reeds kontakt met de familie op Java gemaakt en kreeg te horen dat wij welkom waren.
Zo vertrokken wij met de boot via Singapore naar Batavia, een nieuwe toekomst tegemoet.
Louis Weintre, een neef van mijn moeder, ving ons op en bracht ons mee naar Cheribon.
Oom Weintre was Agent van de K.P.M. [Koninklijke Paketvaart Maatschappij] in Cheribon en woonde in een groot K.P.M.-huis met het kantoor aan de voorkant van het gebouw.
Mijn moeder deed daar de huishouding voor oom Weintre, een vrijgezel, die met de hulp van mams heel erg blij was. Voor ons was hij heel aardig, alhoewel hij zich niet veel met ons bemoeide. Lotty kreeg daar op kantoor van de K.P.M. een baan als kassiere.
Ecca ging werken bij Geo Wehry; Dolf ging naar Bandoeng op het internaat, waar hij de Mulo-school bezocht en ik, intussen 9 jaar geworden, ging naar de lagere school in Cheribon, waar ik in de 2e klas werd geplaatst. Daar leerde ik voor het eerst de Nederlandse taal. Moest mij dus van het Engels naar het Nederlands overschakelen. Mijn juffrouw in de 2e klas was een heel lieve forse vrouw die vooral voor mij heel lief was. Het lag toen misschien in het feit dat ik alleen maar Engels sprak en van haar dus Nederlands leerde spreken. Ik weet nog heel goed, dat als ik moest nablijven voor extra lessen, zij mij heel vaak, als wij alleen in de klas waren, tegen haar boezem (dan lachte ze) aandrukte. Ik kreeg het dan benauwd en wist dan geen kant uit te gaan. Zij kon mij soms heel heftig kussen en dat vond ik helemaal niet leuk. Maar wat doe je er tegen? Als ik na de lessen uit de klas kwam, dan zaten mijn vrienden mij op te wachten en wilden dan precies weten wat er allemaal was voorgevallen. Ja, dat vond ik heel vreemd. Ik was toen 9 jaar oud.
Op school wilden alle jongens wel met mij omgaan. In hun ogen was ik iets bijzonderrs omdat ik alleen Engels sprak. Dat vonden zij blijkbaar interessant.
Later op school sloot ik echt vriendschap met 2 jongens, Jules Kommer en Demetri. Met ons drieen durfden wij het tegen iedere jongen in onze klas op te nemen and believe me, zij hadden heilig respect voor ons Op een dag kreeg ik herrie met een jongen, Jopie Remmers. Het begon zo. Op de speelplaats op school botsten wij bij het voorbijlopen tegen elkaar, waarop Jopie zei “ Ga opzij vent of ik sla je op je smoel. Hierop zei ik” wat jij!” en tegelijk gingen wij met de vuist op elkaar in. Jopie een forse jongen, groter dan ik , begon mij direct toe te takelen. Ik probeerde hem op de grond te krijgen, wat mij veel vergeefse moeite kostte en eindelijk met een piting greep viel hij achterover en ik op hem zitten en hem toetakelen. Het hoofd van de school was er intussen bij gekomen om ons uit elkaar te halen en wij kregen beide straf en moesten op school nablijven. Maar die vlieger ging natuurlijk niet op, want er werd tussen de 2e en 3e klas ofgesproken, dat het gevecht moest worden voortgezet. En zo gebeurde het dat de volgende dag na schooltijd op het erf achter de school , Jopie en ik de vechtpartij moesten voortzetten. Met de nodige raadgevingen van mijn vriend Jules Kommer, moest ik zo en zo vechten om het van Jopie te winnen.
Omringd door de 2e en 3e klasse leerlingen, gingen wij weer tegen elkaar in met de vuist. Het gevecht duurde wel lang en geen van ons wilde toe- of opgeven.
Wij waren moe en konden haast niet meer op onze benen staan, maar opgeven deden wij niet. Eindelijk kwamen de omstanders een einde aan het gevecht brengen door ons uit elkaar te halen.. Resultaat, gevecht onbeslist en wij moesten elkaar de hand geven. Vanaf dat moment waren wij helden en Jopie en ik zijn grote vrienden geworden.
__ Dit verhaal is niet meer afgemaakt.
__ Mijn vader, de schrijver hiervan, overleed op 23 December 2003.
| © 2001-2006 by Roderick C. Wahr. All rights reserved. | write comments to: webmaster |
|